vrijdag 8 januari 2016

Verhalen vertellen: taal en geschiedenis



Verhalen kunnen goed ingezet worden bij zaakvakken. De verhalen roepen voorkennis op, leveren details en bevorderen het begrip. Wanneer de voorkennis wordt geactiveerd, kan de nieuwe stof gekoppeld worden aan de oudere stof. De details in verhalen zorgen ervoor dat leerlingen beter in staat zijn om er een voorstelling bij te maken en zich beter kunnen inleven. Het begrip zorgt ervoor dat de informatie makkelijker verwerkt kan worden, doordat er in verhalen een vaste structuur zit. Om deze redenen moet eigenlijk iedere leerkracht verhalen vertellen!

Verhalen vertellen zet ik vooral bij geschiedenis in. Waarom? Ik houd van geschiedenis en de methoden zijn vaak niet pakkend genoeg. Kan jij je die ene leerkracht nog herinneren van de basisschool? De kans is groot dat die leerkracht was die verhalen vertelden. Verhalen blijven beter hangen dan klassikaal een tekst lezen uit een boek!!!

Ik weet dat er nu mensen zijn die dit lezen en denken: 'Ik kan geen verhalen vertellen' of 'Ik heb er geen tijd voor'. Onzin. Iedereen kan verhalen vertellen. Voorbereiding? Kies een verhaal uit (hieronder laat ik een aantal boeken zien), lees deze door, schrijf een paar steekwoorden op en dan is je voorbereiding klaar. Geloof het of niet maar ga gewoon vertellen en het verhaal komt er echt uit! Misschien anders dan dat er op papier stond, maar dat maakt niet uit!

Wist je dat je taal en geschiedenis heel goed kan combineren? Door het stimuleren van gesprekken tussen leerlingen onderling worden kinderen tijdens het gesprek uitgedaagd en zijn ze actiever bezig met de stof. Als kinderen veel aan het woord komen, wordt de kennis van de wereld en de taalvaardigheid vergroot. Twee vliegen in één klap! Hieronder beschrijf ik een werkvorm die bijdraagt aan de taalontwikkeling en de kennis van de wereld. Het doel van deze werkvorm is dat kinderen kennis beter verwerken, omdat ze in eigen woorden aan een ander uitleggen. Kinderen doen kennis op doordat ze horen wat hun klasgenoot zegt. Kinderen leren hoe ze hun eigen kennis kunnen vergelijken met nieuwe informatie en hoe ze verschillen kunnen bespreken.

De werkvorm gaat als volgt:
1. Selecteer de begrippen uit je verhaal. In het verhaal moet je deze woorden wel uitbeelden/uitleggen.
2. Schrijf de begrippen op kaartjes.
3. Doe het eerst voor.
4. Het is een soort van wie/wat ben ik? Kinderen stellen vragen en jij geeft antwoord. Je mag ook toelichting geven (je mag dus meer dan ja en nee zeggen).
5. Maak tweetallen of ga in een binnen- en buitenkring staan.
6. De kinderen spelen het spel en oefenen zo de begrippen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen